Klimaatdichters

Psalm 151

Vandaag, donderdag 27 januari 2022, begint de jaarlijkse poëzieweek die dit jaar en ter ere van haar tiende editie het thema NATUUR heeft. Bij deze gelegenheid brengen we het gedicht “Psalm 151” van een van onze ambassadeurs en tevens klimaatdichter Peter Theunynck

PSALM 151


Ik liet u ontstaan uit mijn stof.
Ik overgoot u met licht.
U wemelde en kikkerde daarin.


Ik voerde u met zonnekoren overdag
en sterrenbloesem ’s nachts,
borduurde u een bladerdek.


De jaren heb ik niet verdisconteerd,
het garen niet verrekend in de rente.
Ik dacht in ijzertijd en zonnewende.


Met al mijn stammen onderstutte ik
het firmament. U zat daar waar u zat
op rozen zelfs als mijn platen schoven.


Was u een moede hinde die naar helder
water smacht, ik stuwde het door kieren,
stuurde het langs beken en rivieren rond.


Ik legde zeeën om u aan en oceanen,
zodat u altijd scheppen kon en scheep
kon gaan. En ik bedacht de regen.


Ik hoopte grond op voor een heuvel,
perste lava uit mijn lenden
opdat u klimmen kon naar overzicht.


Kuit liet ik voor u schieten in de diepte,
ik vulde uiers af, blies eierschalen vol,
ik was vervuld van overvloed voor u.


Zaden kon u scheppen uit mijn schoot,
ik schudde noten uit mijn vingers,
hing een glimlach in de takken.


Omdat de hond in u van delven hield,
verborg ik kostbaarheden in de grond:
edelstenen, goud, oud ijzer, zink en lood.


En u begon. U was met weinigen
in het begin. U was maar her en der
en zus en zo. U was omzeggens schuw.


U sprokkelde en plukte, u haalde
merg uit bot waaruit verhalen groeiden.
Ze hingen bij de holenvuren rond.


U werd er zelf door aangestoken en bedacht
iets als een man maar groter: hij leefde op
een berg en droeg een staf. Hij was onzichtbaar


en u zag. U schreef hem uw gedachten toe,
u schreef zijn testamenten uit, u sloot
een nieuw verbond. U werd daar handig in.


Vermenigvuldigen lag meer in uw natuur
dan delen. U vond het drieslagstelsel uit,
u maaide weg, u sloeg een voorraad op.


U woekerde als distels voort, men prikte zich
aan u. Had u gebrek aan leefgebied,
u brandde zich een weg in mij.


Mijn zuilen vielen om. Terwijl ik rimpelde
en kromp, was u bezeten door de groei.
U was gehaast: u wou voortdurend zijn


waar u niet was. U dacht in zonnestelsels
en in functie van. Ik was nog slechts een middel
en geen doel, een stapsteen in uw groter plan.


Eenvouds verlichte waters waren van geen tel voor u,
u spaarde zelfs de nachtegalen niet. Wie zingt nu nog
van u, van u bent niet dan in mijn aarde?

Peter Theunynck

Meer over de klimaatdichters leest u hier

      

Reactie toevoegen

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met * .

vijf × vier =