9789021436722_front Geert Buelens BB

Wat we toen al wisten…

De vergeten groene geschiedenis van 1972

“Wat we toen al wisten” van Geert Buelens is een absoluut inspirerend boek! Hoe verklaar je anders dat menig auteur in de pen klom om zijn appreciatie uit te schrijven, het soixante-huitard-gevoel weer op te poken, dat kanteljaar opnieuw onder de loep te nemen en, vooral, de vinger te leggen op de misleiding van de’ Merchants of Doubt’ en de overheid die liet begaan. Zo namen maar liefst twee GvK-ambassadeurs de pen ter hand, enerzijds Paul Verhaeghe op zijn boekenblog en in DeWereldMorgen, anderzijds Walter Lotens, met de blog die hij ons bezorgde en die u hieronder kunt lezen. Beide blogs bevelen we u graag aan!


Walter Lotens bespreekt Geert Buelens, ‘Wat we toen al wisten’

Als Geert Buelens zich in een thema vastbijt, dan kun je wat verwachten. Dat bewees hij al eerder met o.a. ‘Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog (2008)’  en zeker met zijn indrukwekkende  – en dan spreek ik niet alleen over de omvang  van het werk – ‘De jaren zestig, een cultuurgeschiedenis’ (2018).  Geert Buelens is een veelzijdig auteur: internationaal bekend dichter, essayist, columnist en hoogleraar moderne letterkunde in Utrecht. Je zou hem ook een amateur historicus kunnen noemen, want door zijn leeftijd (1971) moet hij voor de meeste van zijn werken de geschiedenis induiken. Dat doet hij met heel veel flair en dat etaleert hij uitvoerig in ‘De jaren zestig’ dat hij met een knipoogje naar David Van Reybrouck ‘een’ cultuurgeschiedenis noemt. Het is voor mij, soixante-huitard, een elegant naslagwerk over un temps perdu. Dat cultuurhistorisch boek gaat zeer breed, ook internationaal, in het schetsen van de tijdgeest, maar één thema komt amper aan bod. Je moet namelijk wachten tot pagina 816 vooraleer het onderwerp milieu/klimaat zijdelings ter sprake komt. ‘Ook in de jaren zestig groeide het besef van de impact die de mens had op de biosfeer. In 1968 sloegen 300 wetenschappers alarm: landbouwmoderniseringen dreigden de grond uit te putten, overdadig gebruik van vliegtuigen kon de aarde verstikken en de opwarming van de aarde zou tot planetaire catastrofes leiden.’ **

1972, een kanteljaar

Dat was in 1968 en onrechtstreeks en misschien toevallig kondigde hij daarmee ook al zijn volgende boek aan dat nu voorligt. ‘Wat we toen al wisten’ gaat vrijwel uitsluitend – met enkele excursies voor en na – over het jaar 1972. Exact vijftig jaar geleden dus. Buelens noemt 1972 een kanteljaar want in dat jaar werd het milieuthema – het klimaat als thema werd toen nog niet zo benoemd ! – een internationale strijd die niet alleen op straten en pleinen werd gevoerd, maar ook in conferentiecentra, boekhandels, rechtszalen, universiteitsaula’s, bioscopen en zelfs in de ruimte. Een ongekend momentum ontstond er toen, als op afspraak, overal ter wereld naast wetenschappers, journalisten, intellectuelen, kunstenaars, schrijvers, regisseurs, liedjesmakers, striptekenaars, activisten en bezorgde burgers, ook diplomaten en politici aan de alarmbel trokken.

Er werd politiek rond het thema bedreven van boven, maar ook en vooral van onderuit. 1972 is het jaar dat de zogenaamde Club van Rome met haar uitvoerig rapport ‘Grenzen aan de groei’ uitpakte. Het is ook het jaar dat in Stockholm de eerste milieuconferentie van de VN plaats vond. De eerste VN-milieuconferentie ging over ontwikkeling: wie daar recht op had, wie haar zou betalen en of er grenzen aan waren. ‘Hoe krakkemikkig ook,’ schrijft Buelens,’ de wereld bouwt nog altijd verder op fundamenten die toen werden gelegd.’ (p. 187)

1972 was een cruciaal jaar in de milieugeschiedenis van deze planeet, maar ook op het diplomatieke vlak zorgde het voor lichte aardverschuivingen, wat onder meer leidde tot de oprichting van de IIASA (International Institute for Applied System Analysis) in Wenen. Van onderuit werd de aandacht voor de immense milieuproblemen – we zijn in de nadagen van mei ’68 – op een activistische manier onder de aandacht gebracht. Enkele voorbeelden ter illustratie. In 1972 werd een actiegroep opgericht die zich Greenpeace noemde en die met zijn spectaculaire acties al snel de nieuwsactualiteit haalde. In de States begon een geheimzinnige ‘Fox’, het bleek achteraf een verontwaardigde leraar biologie te zijn, aan onschuldige, maar gerichte acties tegen vervuilende bedrijven. De toenmalige BRT vond daarin inspiratie voor een televisiereeks over ‘De kat’ die sympathieke zorro-achtige guerrillapraktijken tegen vervuilende bedrijven ondernam. Auteur Walter Van den Broeck tapte uit dat zelfde vaatje in zijn toneelstuk ‘Een andere Vermeer’ waarin een activistische klokkenluider optreedt. Ook de film ‘Bij de beesten af’ van Bert Haanstra past in het nadenken over de verhouding mens-dier-natuur. Zoals altijd namen kunstenaars ook in die periode het voortouw. Zo is de cover van Buelens boek een afbeelding van ‘Oase nr.7’ van het kunstenaarscollectief  Haus-Rucker-Co op de vijfde Documenta tentoonstelling in het Kassel van 1972. De boodschap is duidelijk: als je de mens zijn gang liet gaan met de natuur, was ze haar leven niet meer zeker. En dan was er in de zomer van 1972 ook de kunstenaar Gordon Matta-Clark die met zijn ‘fresh air cart’ door Manhattan reed om voorbijgangers via gasmaskers zuivere lucht toe te dienen. En wat gedacht van de acties van Pow Wow, een Zweedse actiegroep die in het olympisch jaar 1972 ‘Olympische Strontspelen’ opzette waar de meest vervuilende bedrijven met medailles van lood, kwik en cadmium beloond werden. Ook de provo’s met hun Witte Fietsenplan en in 1972 het Witkarplan van Luud Schimmelpennink bewezen toen al dat ze niet aan gratuite luchtfietserij deden maar wel degelijk dachten aan milieuvriendelijke alternatieven en daar ook uitvoering aan gaven. . En dan was er natuurlijk ook  kabouter’ Roel van Duyn die met zijn ‘Energieboekje’, maar ook met zijn ‘Paniekzaaier’ en andere kabouterplannen bewees zijn tijd ver vooruit te zijn.

Buelens vermeldt ook de acties van AKO (aktiegroep kritisch onderwijs) – waar ik toen bij betrokken was -die in 1972 actie ondernam tegen Shell die in alle Belgische scholen een campagne begon onder de misleidende aansporing ‘Wij beschermen de natuur’. Greenwashing, het woord bestond toen nog niet, de praktijk ervan wel.

The golden sixties en de trente glorieuses, het hoogtepunt van de westerse welvaartstaat, waren toen al achter de rug. In 1973 draaide OPEC-landen de oliekraan dicht en beleefden wij de eerste autoloze zondagen. De Franse wetenschapsfilosoof Bruno Latour verwees in zijn publicaties  naar het indalend besef dat het vooruitgangssprookje echt ten einde liep. Inderdaad, wat we toen al wisten… maar wat hebben we met die kennis gedaan? Daarover gaat dit boek en in die zin is het een niet zo fraai verhaal geworden over verzuim, verwaarlozing en vergetelheid. Toen in 1972 aan Aurelio Peccei, een voorman van de Club van Rome, gevraagd werd of hij verwachtte dat de wereld misschien tegen 1980 in staat zou blijken tot  handelen, reageerde hij: ‘Negentien tachtig? Dat is veel te laat. Het volgend jaar, 1973, wordt beslissend.

‘1980? Te laat, 1973 is beslissend.’ (Aurelio Peccei) *

L’histoire se répète

Buelens probeert in dit boek de belangrijkste wetenschappelijke, sociale, politieke, economische en geopolitiek ontwikkelingen en discussies netjes op een rijtje te zetten. Dat doet hij uitstekend en tevens nodigt hij daarmee uit – en dat lijkt me een van de belangrijke bedoelingen van dit boek – om over de generaties heen, van de grootouders voor het klimaat tot de Greta Thunbergs en Anuna de Wevers van deze aarde, na te denken over vijftig jaar van weten, vergeten, mobiliseren, sensibiliseren, maar ook van luchtfietsen, belazeren, politiek getouwtrek, machtspelletjes en – niet te vergeten – van verzet van onderuit dat deels conjunctureel gebonden is maar waarin toch duidelijk recurrenties te bespeuren vallen. Ik noem er enkele maar het boek krioelt ervan. Dat is de rijkdom van ‘Wat we toen al wisten’. 

Ik zei het al: greenwashing als term bestond toen nog niet, maar wel de hypocriete manier waarop de oliereuzen die meer dan behoorlijk wat vervuilde boter op hun hoofd hadden en hebben, probeerden hun imago op te poetsen door onder meer het individu mee te culpabiliseren. Die greenwashing  loopt als een rode draad door die vijftig jaar met Shell op kop en op korte afstand gevolgd door oliereuzen als Totalenergies. Terwijl ik aan deze recensie werk nodigen ze kinderen uit om toekomstgericht te denken. Zij schrijven: ‘Wij bij TotalEnergies geloven dat de verbeelding van onze kinderen een inspiratiebron is voor een duurzame toekomst. Daarom nodigen we iedereen van 5 tot 12 jaar uit om een unieke tekening te maken. De uitdaging? Teken een uitvinding die de wereld duurzamer, beter én plezanter maakt.’ Hallelujah! Chevron maakt het nóg wat bonter. Mike Wirth, Chief Executive Officer van het Amerikaanse Chevron verklaarde in juni 2020: ‘Ik deel de woede en het verdriet van al die Amerikanen die recent geconfronteerd werden met de dood van ongewapende zwarte mannen en vrouwen. Racisme en brutaliteit verdienen geen plaats in de Amerikaanse samenleving’. Het Franse Mediapart schreef in dat verband dat greenwashing nu wokewashing is geworden. Je moet maar durven! Wat een mega vervuilende industrie al niet doet om op een wit blaadje bij de consument te komen! Ook al de voorbeelden die Buelens opsomt van ecomodernisme – je moet vertrouwen hebben in de nieuwe technologieën, die lossen het zaakje wel, don’t worry be happy  –  behoren tot dat arsenaal van schijnmanoeuvres. Dat, anders gezegd, eco-optimisme werd voortgestuwd – dixit Buelens – in de staart van het vooruitgangsgeloof dat de Golden Sixties had. En dat is nog steeds springlevend en wordt nog kunstmatig in leven gehouden door het neoliberale denken dat – paradoxaal genoeg – vanaf 1972 aan een steile opmars is begonnen in heel de wereld en dat in de hoofden van vele mensen nu als ‘normaal’ wordt beschouwd. 1972 lanceert dus het grenzen-aan-de-groei-verhaal maar tegelijk verkondigt het neoliberalisme het tegenovergesteld verhaal. Zeer pijnlijk – en politiek een zeer heikel punt – is dat het verhaal van Minamata uit 1972, een geval van kwikvergiftiging in het bedrijf Chisso, zich blijft herhalen. Vakbonden en industriële vormden toen één front tegen de protesterende lokale gemeenschap. Dat verhaal herhaalde zich in Frankrijk toen de communist Marchais zich verzette tegen Sicco Mansholt’s kapitalismekritiek en zijn antigroeiboodschap. Hij zei toen: ‘Een Europa van de armoede en de economische beteugeling – dat is het programma dat de heraut van de Europese Gemeenschap ons voorhoudt!’ Zolang ‘rood’ en ‘groen’ elkaar niet kunnen vinden in een klimaatrechtvaardige strijd blijft dat een huizenhoog probleem waarop ook de linkerzijde haar tanden stuk bijt. Grenzen aan de groei is dus grenzen stellen aan de ontginning van bodemrijkdommen en industrialisatie ervan – zoals bijvoorbeeld met het fel begeerde lithium, het nieuwe witte goud. Dat heet dan extractivisme en dat kan zowel in een linkse of rechtse context worden aangewend. Dat maakt maatschappelijk natuurlijk een immens verschil, maar toch is er over de politieke tegenstellingen heen een consensus over wat in het Spaans extractivismo wordt genoemd. Dat is een economische politiek die volgens de definitie van de onderzoeker Eduardo Gudynas gericht is op het ontginnen van natuurlijke rijkdommen op grote schaal, specifiek gericht op de globale markt. Volgens Naomi Klein in ‘No time’ gaat het in die economische benadering om een niet-wederkerige, op overheersing gerichte relatie met de aarde, een relatie van alleen maar nemen.

Telelens en breedhoekbeeld

Om heel dat ingewikkeld verhaal over 1972 uit de doeken te doen hanteert Geert Buelens in zijn boek zowel een telelens als een breedhoeklens en die twee invalshoeken lopen soepel in elkaar over. Met zijn telelens brengt hij zichzelf en de familie waarin hij opgegroeid is in beeld. Buelens, geboren in Duffel, een dorpje in de Antwerpse voorkempen, gebruikt zijn herinneringen en zijn opgroeien om de leef- en denkwereld in beeld te brengen van het middenstandgezinnetje met een warme sympathie voor de meer katholieke delen van de derde wereld – in Afrika, maar in die jaren ook in Chili en op de Filipijnen . Via Foster Parents bijvoorbeeld adopteerde zij een Ecuadoraans meisje. ‘De toon werd gezet door de waarden van de arbeidersbeweging en een licht verwaterde variant van de tegencultuur uit de jaren zestig,’ typeert hij het gezin dat ook sympathiseerde met de opkomende groene beweging in het dorp. Waarschijnlijk heeft Geert Buelens van toen ook al die focus op het zuiden van de planeet meegekregen, want dat accent is opvallend sterk aanwezig is zijn zeer brede schets van het tijdsbeeld. Die dorpsjongen is ongetwijfeld een wereldburger geworden, want anders had hij dit boek niet kunnen schrijven. Dit bijvoorbeeld: ‘Ook de klimaatcrisis zal veel zwaarder gevoeld worden op plekken die niet of nauwelijks bijdroegen aan het probleem. Kinderen in de Centraal Afrikaanse Republiek, Tsjaad en Guinee-Bissau – landen verantwoordelijk voor minder dan een honderdste van een procent van de mondiale uitstoot – lopen vele keren meer risico om door de gevolgen van de klimaatopwarming getroffen te worden dan wie opgroeit in de landen die er de grootste verantwoordelijkheid voor dragen.’ (p. 214) Buelens merkt ook op dat van de 68 leden die de Club van Rome in 1971 telde er 57 uit OESO-landen, 5 uit Latijns-Amerika en slechts 2 uit Afrika kwamen. De landen uit het Zuiden spelen nog steeds een tweederangsrol, ook in Glasgow op de laatste klimaattop. Ook dat is een recurrentie.

Met dan dit verschil, merkt hij terecht op: ‘Was solidariteit met het Zuiden tijdens de conferentie in Stockholm een centraal aandachtspunt dat tegelijkertijd door de rijke landen gemakkelijk genegeerd kon worden, vijftig jaar later wordt hiermee ook het eigenbelang gediend. Als het Zuiden zich op niet-duurzame wijze ontwikkelt, vergroot dat immers de catastrofale opwarming van de aarde, voor iedereen. (p. 215)

Naast zijn hinkstapsprongen tussen Duffel en Stockholm vergeet Buelens ook niet om het panorama breed open te trekken en daarvoor brengt hij via erudiete, maar zeker geen pedante verwijzingen naar kunst, film en literatuur een brede culturele schets van het jaar ‘1972’, zoals hij dat in zijn vorige boek voor het geheel van de jaren zestig zo uitstekend deed.

Uitstervingsklok en toekomstgeografie

‘Nooit schreef ik eerder over zoveel dingen waar ik eigenlijk geen verstand van heb,’ schrijft Geert Buelens in zijn dankwoord achteraan. Tja, dat is dan blijkbaar de bescheiden uitspraak van een duizendpoot die op alle terreinen wel een woordje komt meepraten en daarvoor niet over een dag (smeltend) ijs loopt. Dat maakt dat hij als hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde nu blijkbaar ook al een cursus geeft over – jawel –  de klimaatcrisis. De geëngageerde dilettant die zijn nieuw verworven kennis en inzichten graag ter beschikking stelt van zijn studenten. Misschien kan hij hen daarmee enkele elementen van een hoopvolle ‘toekomstgeografie’ aanreiken, zoals zijn epiloog mooi heet. ‘De jaren zestig’ droeg Geert Buelens op aan zijn leraren Dirk en Christa die hem inspireerden. Ik ben ervan overtuigd dat hij nu die taak op zich heeft genomen en die kan doorgeven, voor zover nodig, aan de jonge twintigers van vandaag. Qua leeftijd hangt  Buelens tussen de soixante-huitard-generatie en de jonge millennials of ook wel eens generatie Alpha genoemd. Als er op één vlak de uitdrukking l’histoire se répète heel zeker van toepassing is dan is het in de hoopvolle boodschap van Buelens dat een aantal van die jongeren van nu de politiserend en activistisch activiteiten van hun 68-grootouders hebben overgenomen. Zij gaan niet door de knieën voor de gebruikelijke trukendoos van de machtspolitici maar blijven met alle middelen de urgentie van het klimaatthema op de agenda zetten. België en vooral wat men Vlaanderen noemt zijn internationaal  bijzonder slechte klimaatleerlingen en dat is beschamend, maar ‘van onderuit ‘ – en dat is dan weer hoopvol – gebeurt er heel wat.  Het is trouwens opvallend dat steden en gemeenten vaak het progressieve voortouw nemen en in eigen omgeving klimaatrechtvaardigheid proberen te realiseren. Denk maar aan rebelse steden als Barcelona waarin burgerparticipatie niet langer een modewoord is, maar waar in het spoor van Kate Raworth en haar donuteconomie of van Jason Hickel (Less is more en degrowth) geprobeerd wordt een roodgroene politiek te voeren.

Dat is goed, maar niet genoeg, want daar herinnert Geert Buelens aan door op een ietwat cryptische manier te eindigen met: ‘417.9 ppm-414 ppm’ Wat betekent dat? Buelens schreef zijn boek tussen maart en oktober 2021 en daarmee verwijst hij naar de Keeling Curve, zoals Greta Thunberg ook met haar geboortedatum deed: ‘Born at 375 ppm (co²-concentratie in deeltjes per miljoen). Al in 1958 had de wetenschapper Charles Keeling gemerkt dat het meten van co² onderin de atmosfeer zinloos was. De niveaus schommelden daar voortdurend als gevolg van de uitlaatgassen van auto’s, de uitstoot van fabrieken, het effect van de plantengroei, enz.  Daarom construeerde hij op de hoge top van de Mauna Kea (4207 meter) het Mauna Loa-observatorium. Door zijn hoogte stak Mauna Loa boven die ruis uit en daarom kon Keeling met zijn metingen aantonen dat de concentratie co² toeneemt en wel in de vorm van een zaagtandpatroon dat bekend staat als de ‘Keeling Curve’, de beroemdste klimaatgrafiek aller tijden. In 1972 stond er 328 ppm op de teller en in 2021 was de Keeling-curve al opgelopen tot 419 ppm.

Die curve gaat nog steeds in stijgende lijn. Aurelio Peccei  waarschuwde daarvoor al in 1972. Geert Buelens herinnert ons aan wat we toen al wisten maar er  te weinig mee deden.


  • * Voorman van de Club van Rome
  • ** In ‘De jaren zestig’ staat ook een milieuparagraaf in het ‘Huis’-hoofdstuk [‘De aarde als thuis’], pp. 316-321, inclusief een lijst van ecologische momenten in literatuur, film, muziek en kunst.

Reactie toevoegen

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met * .

drie + 4 =